Kerr Ngornyan

De North Bank River Region, waar de Kerr Ngornyan Lower Basic School staat, is een van de armste gebieden van heel Afrika. De smalle strook land op de noordelijke oever van de rivier the Gambia, de naamgever van het land, ligt ingeklemd tussen Senegal en die rivier. Er komen weinig toeristen en de bevolking leeft vooral van agrarische aktiviteiten. Als we op 5 februari 2014 de school voor de eerste keer gaan bezoeken blijkt de reis er naar toe licht avontuurlijk te zijn. Niet zozeer het laatste stuk dat we met de auto afleggen over slechte wegen door een enigszins saai landschap waarbij we wat dorpjes passeren, in de verte kleine boerderijen zien staan, en zwaaien naar lachende kinderen die een stukje met de auto mee rennen. Nee het avontuurlijke zit hem in de oversteek over de 10 kilometer brede riviermonding.

Op de oever in Banjul is het een gekrioel van modern geklede studenten, traditioneel geklede mannen en vrouwen, en hippe toeristen. Het ruikt er naar van alles. De geur van wier, vuilnis, kruiden, vis, nat zand, en ezels strijden om het hardst om voorrang. We onderhandelen met een stoer uitziende Gambiaan over de prijs van de overtocht met één van de ranke, lokale boten die, vreedzaam zij aan zij, vlak voor de rivieroever voor anker liggen. De dozen die we bij ons hebben moeten ook betaald worden maar we krijgen korting als we uitleggen dat er hulpgoederen in zitten. Daarna draagt de stoere Gambiaan ons en de dozen één voor één door, of liever gezegd boven, het water naar zijn boot, waar we vervolgens voorzichtig schuifelend over de smalle gangboorden een plekje zoeken. Maar ik mag niet zitten waar ik wil. Vrouwen moeten onderin de boot. Die zijn altijd bang en vallen daarom snel overboord. Ik ga niet in discussie. Weten zij veel dat ik een schippersvrouw ben…

We krijgen een reddingsvest uitgereikt waarvan ik mij afvraag of die mij werkelijk gaat redden als er zich iets voordoet. Maar gelukkig gebeurt er niets. De overvolle boot arriveert na ruim een half uur veilig aan de overkant, in Barra. Er staat ons nu alleen nog een lange warme autorit te wachten. Als we na een uur in de buurt van de school komen, worden we, ogenschijnlijk in the middle of nowhere, langs de weg opgewacht door een groepje leerlingen. Ze lopen marcherend over het rode zand voor ons uit en even later worden we feestelijk onthaald bij de school door de overige leerlingen en leerkrachten. Want het feit dat iemand de moeite neemt om hun school te bezoeken is een feestje waard. En een boom. Ter ere van ons bezoek heeft de tuinman een jong mangoboompje klaar gezet die we later vandaag zelf mogen planten.

Maar we krijgen eerst een rondleiding. Men wijst mij op de rijen rechtopstaande takkenbossen waarmee het schoolterrein is afgebakend. Die geven onvoldoende bescherming tegen loslopende wilde koeien die op school veel onrust en soms ongelukken veroorzaken. Gebruikelijk in Gambia is dat er een muur met daarin een stalen toegangspoort om het terrein staat. Maar er is hier geen geld voor. We nemen een kijkje in de verschillende klaslokalen, waar nieuwsgierige kinderogen míj weer aankijken. Beetje eng, zo’n witte mevrouw. Eén lokaal kan niet gebruikt worden. Het dak is ingestort en het is er een puinhoop. We gaan ook kijken in de schoolbibliotheek. In het gebouw, dat nog net niet op instorten staat, staan twee boekenkasten. Er liggen een handjevol boeken in. Dat lijkt me niet genoeg, en dat wordt bevestigd door de hoofdonderwijzer. Er hangen kindertekeningen aan een lijntje dat dwars door het lokaal gespannen is. Op het oude schoolbord, waar nauwelijks nog ‘zwart’ op zit, hangt een rooster met daarop welke klas op welk tijdstip in de bibliotheek mag zijn. Ik ben onder de indruk van het feit dat men van ‘niets’ ‘iets’ probeert te maken. Natuurlijk zou men erg blij zijn als er stoelen of bankjes zouden staan waarop de kinderen kunnen zitten als ze een boek lezen. En men zou sowieso blij zijn met meer boeken waar kinderen en leerkrachten uit kunnen kiezen. Maar die zijn er niet. En dus roeit men met de riemen die men heeft.

De tuinman laat ons trots de groentetuin zien. Elke schooldag verwerken een aantal vrouwen de dagopbrengst van de tuin in een lunch voor alle ruim 200 kinderen. Ik mag letterlijk een kijkje in de keuken nemen, dat, na het zien van de grote kookpotten op open vuur in een warme, donkere, en rokerige ruimte, onmiddellijk leidt tot diep respect van mij voor deze kookmoeders.

We overhandigen de meegebrachte spullen aan de hoofdonderwijzer. Vooral leermateriaal. Om te rekenen. Om letters te leren. Maar ook om te spelen. Gewoon, wat bij ons zo gewoon is. We hebben ook 200 nieuwe t-shirts mee. In Nederland afgekeurd vanwege een foutje in de print. Maar dat kan deze kinderen niet deren. Het is dan ook een feest om ze uit te delen.

Eén van de leraren woont een stukje verderop. Hij nodigt ons uit voor een bezoek en een lunch. Een mengsel van verse geitenmelk met gierst. En suiker. Veel suiker. We ontmoeten in het dorp een aantal leden van de plaatselijke voetbalclub. Ze komen trots de voetbalshirtjes laten zien die we een tijdje geleden al vooruit hadden gestuurd. Het staat ze prachtig. Bij de shirtjes zat ook een leren voetbal. Het feit dat ze nu níet meer naar een naburig dorp hoeven te lopen om een bal te lenen, komt mij te staan op breeduit lachende gezichten, applaus, én twee (!) bedankbrieven, overhandigd door de plaatselijke jeugdwerker. En dat voor een set tweedehands voetbalshirtjes en een nagenoeg nieuwe voetbal die in Nederland overbodig was geworden omdat ie ‘niet lekker voetbalt’. Ik besef opeens hoe groot de armoede hier is. En hoe rijk wij in Nederland zijn.

Aan het eind van de dag zit ik moe maar voldaan op mijn hotelkamer. Onder de indruk. Structuren hier in Gambia wijken helemaal niet zoveel af van wat wij in Nederland gewend zijn. Probleem is dat er geen spullen zijn. En geen geld. Maar men is wel bijzonder hartelijk en gastvrij. Is dat eigenlijk ook niet een vorm van rijkdom?

We zijn inmiddels twee jaar verder. De mangoboom groeit en werkt hard aan een schaduwrijke plek. De schoolbibliotheek is aangevuld met een heleboel nieuwe en tweedehands boeken en we hebben gezorgd voor een nieuw dak en nieuwe ramen en deuren. De school heeft echter nog altijd geen muur om het terrein. Men vraagt ons om hulp waarop ik vraag om met een prijsopgave te komen. Ze laten alles opmeten en berekenen en komen uit op een bedrag van 5000 euro. Dat is een hoop geld voor mijn kleine stichting en ik durf dan ook niets te beloven. Behalve dat ik mijn best ga doen.

De oproep die ik onlangs, weinig hoopvol, op de sociale media deelde leverde binnen een half uur een verrassing op. Iemand wil garant staan voor het hele bedrag. Het maakt me stil en klein. Want had ik er niet héél weinig vertrouwen in?
We zijn dus ook op deze school nog niet klaar. Want kinderen hebben recht op een veilige plek, waar ze kunnen leren en spelen.